VERTEL, JAN, VERTEL!

‘Vertel ‘ns wat meer over die Van Marken?’ Katja Schuurman keek me met haar bruine ogen verwachtingsvol aan. ‘Wat voor ondernemer was hij?’ Het was eind maart. Ik wandelde die ochtend met Katja door het Agnetapark. Ze was presentator van de RTL-documentaire ‘Gemaakt in Nederland’, waarin oer-Hollandse producten werden belicht, en wilde alles weten over Van Marken en Calvé-pindakaas. Een filmploeg hing om ons heen. Ik legde uit dat hij – samen met Agneta – eind 19e eeuw Delft wakker had gekust, de Gist en Calvé had opgericht en voor zijn personeel het Agnetapark gecreëerd. Katja en ik liepen samen door het idyllische Matthesstraatje. Ik wees naar de huisjes, de tuintjes: ‘Dit was in 1882 een sociaal paradijs.’

‘Maar,’ onderbrak Katja me. ‘Dat is twintig jaar voor de Woningwet!’ Ze schudde bewonderend haar hoofd. ‘Hoe eh …?’

‘Hij was een visionair.’

‘Vi-sio-nair.’ Terwijl ze het woord herhaalde, keek ze me vragend aan.

‘Ja, hij heeft voorzieningen bedacht die pas 70 jaar later gemeengoed zouden worden, zoals pensioenen, ondernemingsraad, weduwen- en wezenverzekering, Fabrieksbode …‘ Ik was niet te stuiten, wilde alle 107 voorzieningen opsommen, maar dacht het leuker was om Katja te verrassen met het verhaal van het duinwater. ‘Kijk, Katja, in die tijd was Delft nog niet aangesloten op een drinkwaterleidingnet, maar Van Marken wilde perse schoon water voor zijn arbeiders. Hij had als student hier de choleraramp mee gemaakt, en daar waren flink veel slachtoffers gevallen: 400! Allemaal omdat ze het verontreinigde water uit de grachten gebruikten. Dus wat doet Van Marken als het Agnetapark klaar is?’ Ik keek haar doordringend aan. We stonden neus aan neus. Ik rook haar parfum. Heerlijk! Zou ze mijn Obsession ook ruiken? ‘Dus wat doet onze Jacques?’

‘Geen idee, Jan.’ Katja maakte een driftig gebaar met haar handen. ‘Vertel verder! Maak het niet zo spannend!’

Ik wandelde kalm verder, zag vanuit mijn ooghoeken de regisseur zijn duim opsteken. Een huis verder vertelde ik aKatja dat Van Marken iedere dag twee boten naar Scheveningen liet varen, die daar vers duinwater ophaalden. Teruggekeerd in Delft, werd het water omhoog gepompt naar de mouterij. Daarna werd het water naar standkranen in het park geleid en konden de huisvrouwen vers duinwater aftappen.

‘Dus’, vatte Katja samen, ‘in Delft gebruikten ze water uit de grachten, vies water, maar hier hadden ze vers duinwater? Dus niks geen epidemieën hier!’

‘Precies, en Van Marken had nog een mooie vondst. Hij was niet alleen visionair, maar ook een praktisch industrieel. Eigenlijk was hij een complete ondernemer, eentje die …’

‘Jaja, vertel nou maar over die vondst!’

‘Hij gebruikte de stoom van zijn fabriek om een van die leidingen te verwarmen. Daardoor konden de huisvrouwen heet water aftappen. Dus ze hadden een …’

‘Quooker!’ Katja schaterde het uit.

Ondertussen waren we bij de borstbeelden van Jacques en Agneta van Marken aangekomen. De cameraman cirkelde om ons heen. De regisseur onderbrak, vroeg of ik wijdbeens wilde gaan staan, zodat we in beeld even groot zouden lijken.

Ik deed wat de regisseur me vroeg, en droeg, terwijl ik de spanning op mijn hamstring   probeerde te negeren, een gedicht van Jacques voor: ‘Breng ieder uur een woord een daad / die voor de wereld iets achterlaat.’  Katja stamelde ‘Wow!’ Ze hing aan mijn lippen. Ik wilde verder gaan met een fraai liefdesgedicht, maar het begon te regenen. De regisseur riep: ‘Ho maar! Dit is zonde van het plaatje. We moeten even wachten tot het voorbij is.’

‘Dat duurt nog twee uur,’ riep de productieleider. ‘Volgens de buienradar.’ 

De regisseur kwam naar me toe: ‘Kan dat, Jan? Of heb je andere afspraken?’

‘Eh nee, dat lukt wel.’